For best experience please turn on javascript and use a modern browser!
You are using a browser that is no longer supported by Microsoft. Please upgrade your browser. The site may not present itself correctly if you continue browsing.
Welke rol speelde de rol het Huis Oranje-Nassau in de koloniale geschiedenis van Nederland? Een groot aantal onderzoekers deed in de afgelopen jaren onderzoek naar die vraag. Vanuit de UvA werkte historicus Jeroen van Zanten aan de studie mee: hij onderzocht welke kennis de vorsten hadden van de koloniale gebieden, en welke invloed koloniale raadgevers daarop uitoefenden.

Vandaag nam koning Willem-Alexander uit handen van hoofdonderzoeker Gert Oostindie (Universiteit Leiden) de vijf boeken in ontvangst die uit het onderzoek voortkwamen. De koning nam in 2022 zelf het initiatief tot het onderzoek, vanuit de gedachte dat diepgaande kennis van het verleden essentieel is om historische feiten en ontwikkelingen te kunnen begrijpen.

De onderzoekers bestudeerden de rol van de Oranjes vanaf 1600 tot het heden. Hun hoofdconclusie is dat het Huis Oranje-Nassau het Nederlandse kolonialisme eeuwenlang met overtuiging steunde, maar het koloniale beleid zelden bepaalde. ‘Het is een conclusie die me raakt’, aldus koning Willem-Alexander. 

De invloed van koloniale raadgevers

Jeroen van Zantens bijdrage aan het project, de deelstudie Het oor des Konings’ Oranjeraadgevers, 1814-1918, gaat over de kennis- en informatiepositie van de vorsten en de invloed die de koloniale raadgevers daarop uitoefenden.

‘Hoewel de Oranjevorsten vanaf 1814 het midden vormden van het koloniale bestuurs- en machtscomplex, hadden ze weinig kennis van de koloniale gebieden’, legt de onderzoeker uit. ‘Voor betrouwbare informatie waren ze afhankelijk van raadgevers. Dat konden mensen zijn die een officiële functie bekleedden binnen het koloniale bestuursapparaat – ministers, ambtenaren, gouverneurs, parlementariërs – maar ook buitenstaanders die met de vorsten koloniale kwesties bespraken, zoals wetenschappers, schrijvers, kunstenaars en ondernemers.’

Niet wezenlijk betrokken

Welke inlichtingen kregen de vorsten van deze raadgevers? Bij wie gingen de vorsten te rade, en bij wie juist niet? En wat zegt die keuze over hun betrokkenheid bij de koloniën? In zijn onderzoek zocht Van Zanten antwoorden op deze en andere vragen.

Een van zijn conclusies is dat de vorsten amper kennis hadden van de koloniale samenleving, en dat ze zich daardoor ook niet wezenlijk betrokken voelden bij hun overzeese onderdanen. ‘Tegelijkertijd ondernamen ze nauwelijks pogingen om hun kennis- en informatiepositie te verbeteren’, aldus Van Zanten.

Pijnlijk en confronterend

De koloniale raadgevers bij wie de Oranjevorsten te rade gingen, stelt de historicus op basis van zijn onderzoek, waren mensen die zich voegden naar het koloniale systeem. ‘Ze hielpen de vorsten, zowel in de schaduw als in het volle licht van de troon, de koloniale baten te maximaliseren of invloed op het koloniale bestuur te behouden.’

De vorsten gaven zelf legitimiteit aan de koloniën, aldus Van Zanten. ‘Ze vormden een belangrijk onderdeel van het narratief waarmee koloniale exploitatie en dwang werden gerechtvaardigd. Voor ervaringen die een ander, misschien meer reëel en ongemakkelijk perspectief gaven op het koloniale stelsel, hadden de vorsten weinig tot geen interesse. Naar de huidige maatstaven is dat pijnlijk en confronterend.’

Dr. J.C. (Jeroen) van Zanten

Faculty of Humanities

Geschiedenis